12 DEC

2018

Onderwerpen , SRI

De lange en moeizame weg naar klimaatactie

Door David Czupryna, Senior Client Porfolio Manager SRI, Candriam

Zo nu en dan gebeurt het dat twee gebeurtenissen in de actualiteit elkaar overlappen en wat glans ontnemen. Hoe ironisch dat net terwijl de 24e klimaatconferentie van start ging en Patricia Espinosa, secretaris-generaal voor klimaatverandering bij de VN, de hooggespannen verwachting uitsprak dat die een ‘Parijs 2.0’ zou worden, de Franse regering aankondigde dat ze de voor 1 januari 2019 geplande en als ‘koolstoftaks’ gehekelde verhoging van de accijnzen op brandstof tijdelijk uitstelt. Na weken van protesten van de Gilets Jaunes (Gele Hesjes), een spontaan op de sociale media ontstane burgerbeweging van mensen uit het hele politieke spectrum die zich tegen die belastingverhoging verzetten, boog de Franse regering voor de druk van de straat.

Die ‘koolstoftaks’, eigenlijk een verhoging van de bestaande accijnzen op brandstof, is een schoolvoorbeeld van hoe milieubeleid niet moet worden aangepakt. Dat de maatregel zoveel verzet uitlokte, mag dan ook niet verrassen. De lagere inkomensgroepen zouden de belasting in verhouding veel harder in hun portefeuille voelen dan de rijkere Fransen. Dat wakkerde het gevoel aan dat in de strijd tegen de klimaatverandering van de zwakste burgers in elk land en van de armste landen de grootste offers worden gevraagd.

In het geval van Frankrijk zou de maatregel werknemers uit de lagere en middenklasse getroffen hebben, die hun auto nodig hebben voor hun dagelijkse rit naar het werk en op middellange termijn dus een inelastische vraag naar brandstoffen hebben. Bovendien zou hij gelden voor de brandstoffen (benzine en diesel) waar mensen met een lager inkomen het afhankelijkst van zijn, maar niet raken aan de belastingvrije status van kerosine, die vaker wordt gebruikt door gegoede wereldreizigers.

De reden voor dat anachronisme is een niet zo bekend internationaal verdrag  dat in 1944 in Chicago werd gesloten en door 191 landen, waaronder Frankrijk, werd bekrachtigd. Artikel 24 van dat verdrag verbiedt elk land om belastingen te heffen op kerosine, wat gemeten op basis van de CO2-uitstoot per kilometer per passagier de vervuilendste energiebron voor het vracht- en personenvervoer is.

De klimaattop is een uitgelezen moment om eens tegen het licht te houden wat er is gerealiseerd sinds het historische akkoord over vermindering van de CO2-uitstoot dat in 2015 in Parijs werd bereikt. Dat akkoord legde een doelstelling en een methode vast: de gemiddelde stijging van de wereldtemperatuur moest in vergelijking met het pre-industriële tijdperk onder de 2 graden Celsius worden gehouden en elk land zou zijn eigen doelstellingen op het vlak van CO2-uitstoot vastleggen om dat doel te halen.

Een snelle blik op de aankondigingen sinds 2015 volstaat om te beseffen dat de inspanningen van individuele landen lang niet volstaan om de tweegradendoelstelling te halen. Volgens Climate Action Tracker hadden bij de start van de 24e klimaatconferentie slechts zeven landen zich in hun nationale klimaatactieplannen verbonden tot een CO2-uitstoot die daarmee verenigbaar is. Het huidige voorstel van de Europese Unie, dat de uitstoot van alle lidstaten omvat, is nog altijd ver verwijderd van de uitstootvermindering die tegen 2030 nodig is. Het ligt dichter bij een temperatuurstijging met meer dan 3 graden dan bij de doelstelling uit Parijs. In het recentste Emissions Gap Report van het Milieuprogramma van de VN luidt de conclusie dan ook dat we niet alleen zeer waarschijnlijk de doelstelling van 1,5 graden gemist hebben, maar de kans bovendien erg klein lijkt dat we de vooropgestelde 2 graden zullen halen. Volgens dat rapport zijn we op weg naar een temperatuurstijging met 3,2 graden.

Het doel van de 24e klimaatconferentie is precies om te beoordelen welke inspanningen de landen die het akkoord van Parijs ondertekenden, tot nu toe hebben aangekondigd. Zonder nodeloos pessimistisch te zijn weten we echter al dat die niet zullen volstaan. Al was het maar omdat het land met de op een na grootste CO2-uitstoot, de Verenigde Staten, geen nationaal klimaatactieplan voorlegt. Het recentste klimaatactieplan van de VS stamt nog uit de tijd van de regering-Obama en werd door de huidige regering niet geactualiseerd.

Als beleggers en beheerders aan wie werknemers hun pensioengeld, gezinnen hun spaargeld en verzekeringsmaatschappijen hun reserves toevertrouwen, staan vermogensbeheerders in de frontlinie van deze wereldwijde uitdaging voor de mensheid. Eenvoudig gezegd: onze klanten vragen dat hun geld wordt belegd op een manier die verenigbaar is met het voortbestaan van menselijk leven op aarde. Logisch dus dat sinds 2009 het vermogen dat Europese beleggers in thematische strategieën beleggen, zoals energie-efficiëntie of oplossingen voor de klimaatverandering, is gegroeid van nagenoeg nul tot 148 miljard euro in 2017 (1). Terwijl de overheden tot nu toe vooral weifelen en nalaten de moedige beslissingen te nemen die nodig zijn om een catastrofale verstoring van ons klimaat en ecosysteem te voorkomen, zoals een breed gedragen, ambitieuze belasting op CO2-uitstoot, gekoppeld aan herverdelingsmaatregelen, zijn beleggers niet bij de pakken blijven zitten en tot actie overgegaan.

Candriam vervult in die aandacht voor klimaatverandering een voortrekkersrol en heeft vandaag ruim 30 fondsen waarvan de koolstofvoetafdruk gemiddeld 50% kleiner is dan die van de bredere markt. Dat wil zeggen dat een belegging van bijvoorbeeld 100.000 euro in onze fondsen op haar beurt wordt belegd in bedrijven die minstens 50% minder uitstoten dan hun sectorgenoten. Op die concrete, meetbare manier pakken wij vandaag de klimaatverandering aan. Dat is echter nog maar het begin. We weren ook de meest CO2-intensieve brandstof voor elektriciteitsopwekking, steenkool, uit al onze portefeuilles. Als de bestaande steenkoolreserves, die op de balans van steenkoolfabrikanten zijn opgenomen, zouden worden verbrand om elektriciteit op te wekken, kan de mensheid haar doelstelling van 2 graden, 3 graden en zelfs 4 graden wel vergeten. Wegblijven van een sector waarvan het voornaamste actief, steenkool, in de grond moet blijven, is voor ons dan ook een kwestie van verantwoordelijk financieel beheer.

Die trend manifesteert zich in heel de beleggingssector, bij de een al geloofwaardiger en overtuigender dan bij de ander. Als beleggers putten wij hoop uit het feit dat bedrijven zelf, ook de grootste vervuilers, eindelijk signalen uitzenden dat zij klimaatverandering ernstig beginnen te nemen. Het recentste, erg veelzeggende voorbeeld daarvan is de aankondiging  door de CEO van Shell begin december. Het bedrijf liet weten zich een duidelijke doelstelling voor vermindering van de CO2-uitstoot te zullen stellen. Die ommezwaai van een van de grootste olie- en gasproducenten werd mogelijk gemaakt door intensief overleg tussen het bedrijf, een coalitie van beleggers die de krachten hebben gebundeld in het initiatief Climate Action 100+  (2) en ngo’s. Candriam is een actief lid van dat initiatief.

De komende maanden mogen we soortgelijke verklaringen van bedrijven over hun koolstofstrategie en -doelstellingen verwachten, zeker nu de 24e klimaatconferentie is gestart. Die zullen met name passen in het bredere kader van de uitvoering van de aanbevelingen van de TCFD, een complexe reeks richtsnoeren die de bedrijfswereld zelf heeft opgesteld om de informatieverschaffing over haar blootstelling aan klimaatrisico’s en -kansen te standaardiseren.

Overheden hebben in de strijd tegen klimaatverandering een belangrijke rol te vervullen door consumenten te sturen naar klimaatvriendelijkere producten en oplossingen, veel meer dan tot nu toe het geval is geweest. De beleggingssector heeft de verantwoordelijkheid om producten te ontwikkelen die aan die vraag tegemoetkomen.

(1) Europese SRI-studie 2018 van Eurosif

(2) Candriam is sinds december 2017 lid van het initiatief Climate Action+.