Nu de economie sterk herstelt en het monetair en budgettair beleid behoorlijk versoepelend is, wordt er opnieuw gesproken over de terugkeer van de inflatie.

Op korte termijn zijn er talrijke redenen om aan te nemen dat de inflatoire druk zal aanhouden. Zo stijgen de grondstoffenprijzen, gaan de transportkosten door het dak, zijn er bottlenecks in bepaalde sectoren (zoals de halfgeleidersector), geraken de voorraden uitgeput enz. Maar ook de prijzen in de dienstensector stijgen door de heropening van de economie. Al die factoren hebben ertoe bijgedragen dat de prijzen stijgen. Zowel de producenten- als consumentenprijzen zijn in april in talrijke landen fors gestegen. Bovendien wijzen de PMI-enquêtes over het algemeen op hogere inputprijzen, waardoor leveranciers langere doorlooptijden hebben. Dat wijst erop dat de inflatoire druk nog wel even zal aanhouden.

We kunnen deze fase echter redelijkerwijs als tijdelijk beschouwen. Ze zal dus nog enkele maanden langer duren. Daarna zal het aanbod zich aanpassen aan de heropening en zullen de voorraden opnieuw worden opgebouwd. Dat kan nog even langer duren dan soms wordt verwacht, aangezien de verstoringen in de wereldwijde aanvoerketens niet te onderschatten zijn. De meeste centrale banken zullen echter waarschijnlijk geduld oefenen alvorens ze hun versoepelend beleid afbouwen. Ze kijken verder dan de tijdelijk fors stijgende prijzen, die het gevolg zijn van aantrekkende activiteit. De arbeidsmarkt in de meeste economieën draait immers nog zeker niet op volle toeren. Ondanks de aantrekkende activiteit waren er in de VS in april 2021 nog steeds zowat tien miljoen banen minder. In de eurozone staat de tewerkstellingsgraad zelfs nog verder onder het niveau van vóór de crisis. Hoewel we nog steeds van mening zijn dat de centrale banken niet vroegtijdig hun beleid zullen verstrakken, kunnen we de zenuwachtigheid van de marktparticipanten wel begrijpen. De inflatoire vrees zal dus nog niet meteen verdwijnen, niet het minst omdat sommige centrale banken het niet slecht vinden dat de inflatie wat hoger is dan voor de pandemie. Had de Federal Reserve immers niet gezegd dat ze een bepaalde periode zou toelaten dat de prijzen boven de doelstellingen stijgen? Wie echter inzet op een permanente forse stijging van de inflatie, zou wel eens van een koude kermis kunnen terugkomen: indien de economie oververhit zou geraken, hebben de centrale banken talrijke tools ter beschikking om die druk in de kiem te smoren!

Aangezien we verwachten dat de inflatie mild zal zijn en de reële rentevoeten wat zullen stijgen maar laag zullen blijven, blijven we over het algemeen overwogen in aandelen. In tegenstelling tot obligaties presteren aandelen immers doorgaans het best in een (licht) inflatoire omgeving. Hoewel de koers-winstverhoudingen van aandelen eerder dalen zolang de rentevoeten stijgen, is de gevoeligheid voor herzieningen van het groeimomentum zelfs nog belangrijker. Bovendien slagen sommige ondernemingen erin om de hogere kosten door te rekenen aan de consument, waardoor het effect op de bedrijfswinst beperkt blijft. Daartegenover staat dat wij in een dergelijke omgeving een kortere duratie aanhouden en onderwogen zijn in obligaties. De rendementen die deze langlopende effecten opleveren, worden minder aantrekkelijk, omdat ze de inflatie niet langer compenseren.

Als we nog een stap verder gaan, dan zouden cyclische en valueaandelen het best moeten presteren in een periode van stijgende inflatie en oplopende rentevoeten, omdat zij eerder positief gecorreleerd zijn met stijgende rentevoeten. Die transitie heeft al aanleiding gegeven tot een sectorrotatie naar value- en cyclische sectoren, die zich nog steeds aan het voltrekken is. Daarom gaat onze strategie inzetten op aandelen die sterk kunnen profiteren van het herstel, en ook op een steiler wordende rentecurve en stijgende grondstoffenprijzen. Meer specifiek kopen we kleine en middelgrote aandelen in de VS, het Verenigd Koninkrijk en Latijns-Amerika. Voorts zijn we positief voor Amerikaanse en eurozonebanken, die het meest profiteren van de verwachte versteiling van de rentecurve.