Dit jaar is het heel verleidelijk om die oude beursspreuk over te nemen. De belangrijkste aandelenmarkten zijn sinds hun dieptepunt in december 2018 immers tussen 12 % en 20 % gestegen, wat overeenstemt met weinig realistische geannualiseerde rendementen voor 2019. De klim van de aandelenmarkten kan niet in dat tempo doorzetten tijdens de komende maanden. Wanneer moeten we ons voorbereiden om winst te nemen en onze blootstelling aan aandelen sterker afbouwen?

De markten zijn momenteel bijzonder vitaal met een sterke positieve dynamiek die mogelijk aanhoudt. Het herstel van die aandelen over de voorbije vier maanden heeft nog maar net de rode cijfers van het laatste kwartaal van 2018 uitgewist. Over een periode van een jaar blijkt enkel de Amerikaanse markt met 10 % vooruit te zijn gegaan, terwijl de Europese en Japanse indices dicht bij hun niveaus van eind april 2018 liggen en de groeilanden nog altijd in het rood staan. De aandelenwaarderingen zijn dus niet buitensporig. Zo kent de Amerikaanse markt een koers-winstverhouding van 17,5 tegenover een gemiddelde van 17 over de afgelopen 20 jaar. De ommekeer in het monetaire beleid van de Amerikaanse centrale bank draagt bij aan die stijging van de aandelenwaarderingen. De Fed heeft (tijdelijk?) haar renteverhogingen stilgelegd, alsook de afbouw van haar balans die in september afgerond zou moeten zijn. Omdat de inflatie uitblijft, blijven de rentes laag en versterken ze de relatieve aantrekkelijkheid van aandelen ten opzichte van obligaties. De risicopremie voor de Amerikaanse markt bijvoorbeeld is met +3 % ruimschoots positief en ligt boven haar historische gemiddelde van 2,5 %. Het verschil is nog duidelijker voor de Europese markt, met een risicopremie van 7 % ten opzichte van de Duitse 10-jaarsrentes. De verbetering van de economische cijfers na de sterke vertraging aan het einde van het jaar speelt volledig in de kaart van de aandelen. Ook een andere factor blijft de groei van de aandelen mogelijk ondersteunen, namelijk de behoedzaamheid van de beleggers, die niet aan de stijging hebben bijgedragen. De beurzen worden voorlopig nog niet met een buitensporig optimisme geconfronteerd.

Wat kunnen we dan redelijkerwijs verwachten? Het genomen risico wordt duidelijker asymmetrisch. In een gunstig scenario kunnen we mikken op een verdere stijging van 4 tot 5 % voor de aandelenindices, terwijl ze door een nieuwe val tot de dieptepunten van vorig jaar met 20 % zouden zakken. De bedrijfswinsten gaan dit jaar wellicht eerder in beperkte mate omhoog en de stijging van de markt berust hoofdzakelijk op een lagere risicopremie voor aandelen (en dus op een hogere waardering). Die risicopremie neemt af, ook al blijven vele risico’s aanwezig. Een deel van die risico's is in essentie politiek: de uitkomst van de onderhandelingen tussen de Verenigde Staten en hun voornaamste handelspartners, de Europese verkiezingen en de brexit. De geloofwaardigheid van het monetaire beleid van de centrale banken is een andere risicofactor voor het tweede semester. De beleggers gaan er momenteel van uit dat de Fed de rente volgend jaar zal verlagen. Welke verwachtingen zullen ze hebben als de economische indicatoren verbeteren en de inflatie stijgt? Zal de Federal Reserve steeds even geloofwaardig zijn in haar communicatie? De ECB van haar kant krijgt deze herfst een nieuwe voorzitter, en de uitdaging om ook haar huidige geloofwaardigheid te behouden. Die is immers essentieel voor de stabiliteit van de eurozone.

We positioneren ons daarom naar een consolidatie van de aandelenmarkten. Door eender welk teken van buitensporig optimisme of, integendeel, van de materialisatie van een risico zouden we nog voorzichtiger worden en het risico binnen onze gediversifieerde fondsen verder afbouwen. In afwachting daarvan zien we geen enkel signaal dat ons aanspoort om “te verkopen in mei”, tenzij het aforisme zelf.