Afgelopen januari kondigde Pfizer aan dat het haar programma’s in neurologie zou stopzetten. Dat nieuws kwam hard aan. Waarom beslist een groot farmaceutisch bedrijf een medisch veld te verlaten waarin zoveel nood aan oplossingen is? Is er dan weinig hoop voor innovaties in  neurologie?

Wij zijn ervan overtuigd dat dit niet zo is. Pfizer is een grote speler op heel wat medische vlakken, maar niet langer marktleider in neurologie. Het bedrijf heeft 300 werknemers ontslagen – zo’n 0,3 % van haar wereldwijde personeel. Dat toonde al aan dat neurologie voor Pfizer geen grote prioriteit meer was. Het (slechte) nieuws over Pfizer haalde natuurlijk de voorpagina’s. Maar wij zien heel wat innovaties in neurologie en psychiatrie die ons optimistisch stemmen voor de toekomst.

Nieuwe geneesmiddelen ontwikkelen voor neurologische aandoening is altijd een enorme uitdaging geweest, gezien het menselijke brein bijzonder complex is en veranderingen op cognitief vlak of in mentale gezondheid niet precies en objectief vast te stellen zijn. Ondanks die uitdagingen stond de vooruitgang van bedrijven niet stil, en konden ze oplossingen bieden voor patiënten. Dat blijkt uit enkele recente succesverhalen. Neurocrine Biosciences bracht vorig jaar een medicijn op de markt voor patiënten die aan tardieve dyskinesie lijden, een slopende ziekte die onwillekeurige, repetitieve lichaamsbewegingen veroorzaakt. Sage Therapeutics voerde succesvolle klinische studies uit met verschillende potentiele geneesmiddelen voor depressie en postnatale depressie. 

Deze succesverhalen zorgen voor hoop en steun in dit onderzoeksveld, maar het spreekt voor zich dat er nog heel wat uitdagingen zijn. De ziekte van Alzheimer is daar een goed voorbeeld van: de zoektocht naar een behandeling mondde al uit in heel wat zwaar gemediatiseerde mislukkingen. Ook Pfizer had veel tegenslag in dit onderzoeksveld, en dat speelde waarschijnlijk een rol in haar recente beslissing. Historisch gezien lijkt er niet veel hoop te zijn, maar lang niet alle bedrijven hebben hun onderzoeksprogramma’s stopgezet. Want hoewel er al veel mislukkingen waren in de zoektocht naar een behandeling voor de ziekte van Alzheimer, blijft het amyloïd-bèta-eiwit centraal staan in het onderzoek. Heel wat bedrijven leerden uit het verleden. Ze optimaliseerden hun programma’s door nauwkeuriger te bepalen op welke vorm van het eiwit gemikt moet worden en door patiënten in een vroeger stadium van de ziekte te behandelen. De belangrijkste spelers zijn Biogen, Roche, Eli Lilly, Eisai, Amgen en Astra-Zeneca & Co. Er werden hoopgevende data gegenereerd, en de tijd zal uitwijzen of dit de juiste strategie is. Maar ook naast de amyloïd-bèta-hypothese is er hoop: er ontstaan andere strategieën, zoals die waarin het tau-eiwit of neuro-inflammatie onderzocht worden.

In tegenstelling tot Pfizer, blijft de biotechstrategie van Candriam de nood inzien betrokken te blijven bij dit interessante veld van geneesmiddelenonderzoek, en zien we de kansen die het biedt.